Willem Barnard en zijn betekenis voor de lutherse liturgie
Categorie: Personalia
Publicatie in: Musica Sacra
Datum: december 2021
Willem Barnard en zijn betekenis voor de lutherse liturgie
Berijming van drie Lutherliederen
In onze bijdrage aan dit Barnard-project willen wij vooral de drie Lutherliederen bespreken die Willem Barnard heeft berijmd: ‘Ein feste Burg ist unser Gott’, ‘Es wolle Gott uns gnädig sein’ en ‘Herr Gott, Dich loben wir’ (Te Deum). Maar de betekenis van Barnard voor de liturgie van de Lutherse Kerk reikt verder. Voordat we deze drie liederen de revue laten passeren willen we allereerst aandacht geven aan enkele andere opvallende liturgische en kerkmuzikale verbindingslijnen tussen Willem Barnard en de lutherse liturgie.
Leesrooster - Collectagebeden
Zoals Marius van Leeuwen in zijn artikel aangeeft heeft Willem Barnard zich vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw intensief beziggehouden met het Romeins Missaal, het eenjarige leesrooster dat aan de basis lag van vele honderden pagina’s diepgaande exegetische beschouwingen. Barnard publiceerde deze analyses in een aantal boeken: de drie delen ‘Op een stoel staan’ (1978,1979), ‘Binnen de tijd’ (1988) en ‘Stille Omgang’ (1993).
In de Lutherse Kerk is het leesrooster vanaf het eerste begin afgestemd geweest op het Missale Romanum. Maarten Luther zag de kracht van dit eenjarige lectionarium, de dynamiek van het kerkelijk jaar en de diepere lagen en verbanden die pas in de loop der tijd ontdekt kunnen worden. Luther nam de lezingen van het eenjarige Missale Romanum vrijwel onveranderd over, in de Lutherse Kerk is dit rooster daarna altijd leidend gebleven.
De lutherse hoogleraar Prof. Joop Boendermaker gaat in de feestbundel ‘Leven in zinsverband’ (ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Willem Barnard - 1990) in op de fascinatie van Barnard voor het Missale Romanum. Boendermaker ziet dat Barnard Bijbelse wortels zocht en vond in de oude Romeinse traditie, maar tegelijkertijd nieuwe perspectieven aanreikte. Hij ontdekte telkens weer literaire, ‘poëtische’ structuren in de bijbel die alles met vieren, met liturgie te maken hebben en die ook vaak intuïtief herkend waren in de oudste geschriften van het christendom. Vernieuwing kan niet zonder betrokkenheid op de traditie.
Vele lutherse predikanten hebben bij de voorbereiding van hun kerkdiensten zo dankbaar gebruik kunnen maken (en doen dat nog steeds) van het exegetische graaf- en spitwerk dat Willem Barnard in al die jaren heeft verricht. Een rijke bron aan beschouwingen lag (en ligt) klaar voor de Lutherse Kerk!
Daarnaast kregen de collectagebeden uit het Romeins Missaal een vaste plaats binnen de lutherse liturgische traditie. Ieder jaar opnieuw worden deze gebeden in het ‘Luthers Dagboek’ afgedrukt bij de betreffende zondagen. In de bundel ‘Uit ademnood’ (1988) verzamelde Barnard zijn uitgebreide toelichtingen op deze collectagebeden, die eerder in de serie ‘De Eerste Lezing’ in de tachtiger jaren los waren verschenen. Het is verbazingwekkend hoe Barnard vele bladzijden lang in kan gaan op een gebed van twee of drie regels. Werkelijk uitputtend wordt de tekst tot op de bodem geanalyseerd en worden oude verbanden ontdekt. Vaak blijkt in het collectagebed de kern van de exegese al verborgen te zijn. Ook hiermee hebben vele lutherse predikanten hun voordeel kunnen doen.
Lutherse zondagsliederen
Ten derde heeft Willem Barnard aan de lijst van lutherse zondagsliederen (bijna vanzelfsprekend) een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Marius van Leeuwen roert in zijn artikel kort het plan van Barnard aan om in het Liedboek voor de Kerken voor iedere zondag van het kerkelijk jaar (volgens het eenjarige leesrooster) nieuwe bijbelliederen op te nemen, zoals hij dat in ‘De tale Kanaäns’ had gedaan. Dat leidde tot moeizame discussies met leden van de liedboekcommissie. De bundel kon, zo zeiden zij, niet onbeperkt dik worden; er moest ruimte blijven voor vertrouwde meezingers, anders kreeg men de kerk nooit mee; bovendien waren Barnards bijbelliederen vaak zo moeilijk ... Zijn voorstel haalde het niet. De frustratie over dat soort tegenwerking spreekt uit het spotgedicht ‘Gezangen-commissies’ (september 1966): ‘Nooit meer zal ik mij laten lijmen ambtelijk voor de kerk te rijmen...’
Een aantal van deze bijbelliederen kreeg, nu verspreid over verschillende rubrieken, alsnog een plaats in het Liedboek van 1973 en uit deze liederen konden in de lijst van lutherse zondagsliederen toch nog zo’n vijf liederen van Barnard opgenomen worden:
Gezang 125 (O kom, o kom Immanuël) – 3e Advent
Gezang 85 (De hemel is opengesprongen) – 2e Kerstdag
Gezang 164 (Gij die de ster van David zijt) – 2e zondag na Kerst
Gezang 99 (Christus naar wie wij heten) – 6e zondag na Trinitatis
Gezang 252 (Wat zijn de goede vruchten) – 8e zondag na Trinitatis
Na het verschijnen van het Liedboek van 2013 kregen negen liederen van Barnard een plaats op de lijst van lutherse zondagsliederen:
Lied 450 (Verblijdt u in de Heer te allen tijd) – 3e Advent
Lied 759 (De hemel is opengesprongen) – 2e Kerstdag
Lied 519 (Gij die de ster van David zijt) – 2e zondag na Kerst
Lied 765 (Gij hebt met uw brede gebaren) – Sexagesima
Lied 25a (Mijn ogen zijn gevestigd) – Oculi
Lied 767 (De toekomst van de Heer is daar) – Stille Zaterdag
Lied 652 (Zingt jubilate voor de Heer) – Jubilate
Lied 544 (Christus naar wie wij heten) – 6e zondag na Trinitatis
Lied 841 (Wat zijn de goede vruchten) – 8e zondag na Trinitatis
Hoewel bij de samenstelling van het Liedboek voor de Kerken was afgesproken dat de Duitse liederen vooral door Ad den Besten zouden worden vertaald en de Engelse liederen door Willem Barnard, heeft Barnard, naast de drie nu te bespreken Lutherliederen, toch nog een klein aantal liederen vertaald uit de Duits-Lutherse traditie, zoals ‘Den die Hirten lobeten sehre’ (Lied 472), ‘Den Heilig Geist vom Himmel kam’ (LvK 246) en ‘So wir yetz sind dem Tag am end’, een avondlied van Johannes Zwick, dat in 1954 in de twaalfde druk van ‘Oude en Nieuwe Zangen’ (Van Woensel Kooy) is opgenomen.
De melodie van Luthers ‘Komm, Gott Schöpfer, Heiliger Geist’ (Lied 670) heeft Barnard bewust gekozen voor zijn liederen ‘Het water van de grote vloed’ (lied 350) en ‘Hoe goed, o Heer, is ’t hier te zijn’ (lied 972). In het Compendium bij het Liedboek 1973 schrijft Barnard zelfs dat ‘deze melodie heel opzettelijk als leenmelodie is gekozen voor deze twee liederen’: het zijn beide echte ‘kerkliederen’, het eerste als dooplied, het tweede als ‘liturgisch lied’, geschreven op de melodie van Luthers Pinksterlied, het lied bij het ‘ontstaan van de Kerk’. Overigens is het jammer dat in het Liedboek 2013 de specifieke locaties niet meer zijn aangegeven zoals in het Liedboek van 1973: ‘bij het doopvont’, ‘voor de tafel’, ‘voor de kansel’ en ‘achter de achter’. Ook als de gemeente blijft zitten werkt het al versterkend als je de locatie voor ogen hebt!
Zoals Prof. Joop Boendermaker hoog opgeeft van de betrokkenheid van Barnard bij het Missale Romanum zo breekt hij in het lutherse kwartaaltijdschrift Elkkwartaal (maart 2016) op inspirerende wijze ook een lans voor Barnards liederen. In zijn serie over kerkliederen verontschuldigt hij zich dat hij niet eerder aan zijn liederen was toegekomen: ‘Eindelijk dan ook in deze serie aandacht voor Willem Barnard. Waarom nu pas? Omdat niet zomaar iets is te schrijven over iemand met wie wij zoveel delen. Ook is er de twijfel of ik in een paar regels deze rijke bron van poëzie, deze zoeker in alle Schriften, dat hele leven vol taal en zang recht kan doen. Maar met deze schat van inspiratie spreekt en zingt hij voor en met ons via al die regels vol geheimen, waarin je steeds meer ontdekt naarmate je ze vaker zingt!’ En vervolgens bespreekt Boendermaker enkele liederen van Barnard, die in de lutherse liturgie perfect passen: ‘Elke regel is raak; pak het erbij, lees en herlees het hele lied en steeds opnieuw wordt het weer Pasen, tegen alle twijfel en ongeloof in. Zing het in jezelf en zing het samen, het zegent je.’
Oud-Katholieke Kerk
Niet alleen loopt er een directe lijn tussen Barnard en de Lutherse Kerk wat betreft het leesrooster, collectagebeden en de zondagsliederen, ook de overstap van Barnard naar de Oud-Katholieke Kerk is voor veel Lutheranen herkenbaar. Al tijdens het SOW-proces in de jaren tachtig van de vorige eeuw bleek voor veel Lutherse gemeentes de samenwerking met de lokale gemeentes van de Oud-Katholieken meer voor de hand te liggen dan met de Hervormde of Gereformeerde gemeentes. De Lutherse Kerk heeft als ‘zingende kerk’ de liturgie in haar aderen opgenomen, maar kon voor haar gevoel voor spiritualiteit, sacraliteit en artisticiteit binnen de andere protestantse kerken in die jaren helaas maar moeizaam leefruimte vinden. Bij de Oud-Katholieken was daar vaak veel meer begrip voor. Willem Barnard is heel duidelijk als hem de vraag wordt gesteld waarom hij is overgestapt naar de Oud-Katholieke Kerk:
‘Waarom ga ik naar de Oud-Katholieke Kerk? Om die katholiciteit. Om de verbinding met de grote traditie. Om de heilige mysteriën. In de dienst gebeurt er iets met ons, bij de protestanten doen we iets. De meeste dominees menen dat het de taak van de dichters is om mooi te zeggen wat zij zelf al eerder duidelijk hadden gemaakt. Het is juist andersom: het is hun taak, aan de gemeente duidelijk te maken wat door dichters al eerder en beter is gezegd.
De Oud-Katholieke Kerk heeft mij nooit iets uitgelegd of opgelegd, ze hebben nooit geduwd of getrokken, maar ik werd onweerstaanbaar aangetrokken door wat ze deden, alleen maar door wat ze deden. Ik ben lid geworden van de Oud-Katholieke kerk omdat deze kerk een minderheidskerk is zonder macht. Mij spreekt vooral de schoonheid van de liturgie aan. Het voorgelezen Credo is in Protestantse kerken als de statuten van een aandeelhoudersvergadering, maar gezongen wordt datzelfde Credo een ontroerende hymne. Ik geloof zingend.’
‘Zingend geloven’ werd later de titel van de serie liedboeken die werden gepubliceerd na verschijning van het Liedboek voor de Kerken. Het ‘zingen’ was voor Willem Barnard essentieel, al kan dat overigens ook worden gezegd voor Jan Willem Schulte Nordholt die stelde: ‘Alleen mijn zingen geeft mij de zekerheid dat Hij er is.’
Liturgie
Tenslotte nog kort over het belang van een goede liturgie. Het was Willem Barnard die in die jaren vijftig van de vorige eeuw erkende dat de Lutherse liturgische inbreng in de ontwikkeling van de nieuwe Kerk onmisbaar is. Hetgeen met de opname van de liturgie van de Lutherse hoofddienst (en de integrale lijst van zondagsliederen) in het Dienstboek intussen een feit is geworden.
Ein feste Burg ist unser Gott
Voordat Willem Barnard in de vijftiger jaren van de vorige eeuw zijn enorme kerkliedproductie begon, vooral aangezet door de wekelijkse ‘Nocturnen’ in Amstelveen (tussen 1957 en 1959, met later een vervolg in de ‘Matinen’), waren er al in 1954 enkele kerkliederen van hem verschenen in de twaalfde druk van ‘Van Woensel Kooy’. Daaronder waren vijf nieuwe liederen naar Openbaring op melodieën van Adriaan Schuurman, waarvan er later vier met andere (eenvoudiger) melodieën in het Liedboek voor de Kerken zijn opgenomen (Gezang 111, 112, 114 en 115). Waarschijnlijk is dit de allereerste liedbundel waarin liederen van Barnard zijn gepubliceerd.
In deze uitgave van Van Woensel Kooy treffen wij ook een berijming van Barnard aan van ‘Ein feste Burg ist unser Gott’ met de vierstemmige koorzetting van Lucas Osiander (1534-1604), zoals die was opgenomen in het befaamde ‘Chorgesangbuch’ van Richard Gölz (1934).
Voor een goed overzicht plaatsen wij hieronder de berijming van Barnard naast die van Luther.
1. Ein feste Burg ist unser Gott,
ein gute Wehr und Waffen.
Er hilft uns frei aus aller Not,
die uns jetzt hat betroffen.
Der alt böse Feind, mit
Ernst er's jetzt meint,
groß Macht und viel List
sein grausam Rüstung ist,
auf Erd ist nicht seinsgleichen.
2. Mit unsrer Macht ist nichts getan,
wir sind gar bald verloren;
es streit' für uns der rechte Mann,
den Gott hat selbst erkoren.
Fragst du, wer der ist?
Er heißt Jesus Christ,
der Herr Zebaoth,
und ist kein andrer Gott;
das Feld muss er behalten.
3. Und wenn die Welt voll Teufel war
und wollt uns gar verschlingen,
so fürchten wir uns nicht so sehr,
es soll uns doch gelingen.
Der Fürst dieser Welt,
wie saur er sich stellt,
tut er uns doch nicht;
das macht, er ist gericht':
ein Wörtlein kann ihn fällen.
4. Das Wort sie sollen lassen stahn
und kein Dank dazu haben;
er ist bei uns wohl auf dem Plan
mit seinem Geist und Gaben.
Nehmen sie den Leib,
Gut, Ehr, Kind und Weib:
lass fahren dahin,
sie habens kein Gewinn,
das Reich muss uns doch bleiben.
1. Een vaste burcht is onze God,
de toevlucht van ons leven.
Ons heil is sterker dan ons lot,
al moesten wij ‘t begeven.
De oude boze macht
op winst nu bedacht
valt aan met geweld
en listen ongeteld;
nooit zag men zijns gelijke.
2. Met onze macht is 't niets gedaan:
wij zijn alras verloren.
Maar d'eenge die ons bij kan staan,
God heeft Hem ons verkoren.
Op uwe vragen, weet
dat Hij Christus heet
de Heer Zebaoth;
er is geen ander God:
Hem blijft in 't eind de zege.
3. Al trekken op van alle kant
de helse legerscharen,
wij vrezen niet! De Heer houdt stand,
Hij zal zijn volk bewaren.
Hoe ook de vijand woedt,
hij krijgt hier geen voet,
wij tarten 't geweld;
zijn vonnis is geveld:
één woord en hij moet wijken.
4. Het woord zullen zij laten staan,
geen dank daarvoor verwachten.
Hij gaat in onze strijd vooraan
en geeft zijn Geest en krachten.
Al nemen z'al ons goed
vrouw, kind, eer en bloed,
wij laten het gaan:
hun macht is maar een waan.
Het rijk blijft ons behouden.
In tegenstelling tot een latere berijming van Barnard, die is opgenomen in ‘Contrafacten’ (1988), staat deze vertaling niet alleen dichter bij de originele tekst van Luther maar ook dichter bij psalm 46, naar welke psalm Luther zijn berijming heeft gemaakt. In de tweede regel van de eerste strofe blijft Barnard zelfs dichter bij deze psalm dan bij Luther als hij ‘ein gute Wehr und Waffen’ vervangt door ‘de toevlucht van ons leven’ - NBG 1951: ‘God is een toevlucht en een sterkte’.
In zijn boekje over de psalmen 42-72 (Een stille duif in de verte – Gepeins bij psalmen) geeft Barnard aan dat hij graag meegaat met de oude vertaling van Luther: ‘Nog iets over het zingen van psalm 46. Iedere bewerking is een verminking, maar Luthers ‘Ein feste Burg’ gooit hoge ogen. Ook de berijming uit 1967 kon daar niet omheen: in strofe 2 en 3 luidt de slotregel: Een vaste burcht is onze God’. En zo vinden wij in zijn berijming veel letterlijke vertalingen.
In de eerste strofe klinkt zo bijvoorbeeld ‘Der alt böse Feind’ door in ‘De oude boze macht’. Jammer dat hier de tekstplaatsing in de uitgave van Woensel Kooy ritmisch niet klopt. Waar in alle uitgaven de vijfde regel (begin van het ‘Abgesang’) na de opmaat begint met een melisme over drie noten, staat hier een melisme over twee noten omdat Barnard geen vijf maar zes lettergrepen gebruikt en nu een extra lettergreep plaatst op de vierde noot van de regel. In de berijming in ‘Contrafacten’ zal dit euvel zijn hersteld.
De tweede strofe is vrijwel letterlijk een vertaling van Luther. Opvallend is het voegwoord ‘maar’ aan het begin van de tweede regel, in ‘Contrafacten’ zal Barnard hier zelfs ‘toch’ gebruiken.
In de derde strofe herkennen wij in het ‘Abgesang’ niet alleen Luther maar ook de berijming van Ad den Besten en Jan Wit in Liedboek 2013 (Lied 898).
Willem Barnard (1954):
Hoe ook de vijand woedt,
hij krijgt hier geen voet,
wij tarten 't geweld;
zijn vonnis is geveld:
één woord en hij moet wijken.
Ad den Besten (1973):
Hoe satan ook woedt
En wat hij om doet,
’t is machtloos geweld, -
Zijn vonnis is geveld.
Eén woord, en hij moet vallen.
Ook in de vierde strofe herkennen wij veel ‘Luther’, soms komt het zelfs in de buurt van een germanisme: ‘Das Wort sie sollen lassen stahn und kein Dank dazu haben’ / ‘Het woord zullen zij laten staan, geen dank daarvoor verwachten’. Zelfs met de zestiende-eeuwse formule ‘Nehmen sie den Leib, Gut, Ehr, Kind und Weib’ heeft Barnard geen moeite: ‘Al nemen z’al ons goed, vrouw, kind, eer en bloed’. In ‘Contrafacten’ zal Barnard dertig jaar later alleen de volgorde iets veranderen! Ad den Besten en Jan Wit laten het hier bij ‘ons goed en ons bloed’.
In de pakkende laatste regel staat Barnard dichter bij Luther (‘Das Reich muss uns doch bleiben’) dan de berijming van 1973. Barnard: ‘Het rijk blijft ons behouden’ tegenover den Besten/Wit: ‘Gods rijk blijft ons behouden’.
In 1988 verscheen bij het toenmalige Centrum voor de Kerkzang de bundel ‘Contrafacten’, een keuze uit een aantal psalmzettingen van het Beckerpsalter van Heinrich Schütz. In deze bundel zijn nieuwe Nederlandse teksten van 21 dichters afgedrukt waaronder een vrije bewerking van psalm 46 van Willem Barnard. Hierboven verwezen wij vergelijkenderwijs al een aantal keren naar deze berijming van Barnard.
Voor ons is God een erewoord,
dat zal ons nooit begeven,
een sterkte en een toevluchtsoord,
al staat men ons naar ’t leven.
De koning van de nacht,
op winst nu bedacht,
valt aan met geweld,
heerscharen ongeteld.
nooit zag men zijns gelijke.
Met overmacht begint men niets,
daarmee gaan wij verloren.
Toch is er één die nooit verliest,
God heeft Hem uitverkoren.
Ge vraagt ons naam en eer?
’t Is Christus de Heer
die sterren gebiedt,
een ander is er niet.
Voor Hem moet alles wijken!
De wereld is vol demonie
die ons haast zou verzwelgen,
toch overwint de angst ons niet:
men kan ons niet verdelgen.
De god van deze eeuw
met al zijn geschreeuw,
hij krijgt ons niet klein, -
de hel is ondermijnd.
Een woord en ’t zal verkeren.
Dat woord van God, daar blijven z’af
ook zonder dat wij ’t vragen:
dezelfde Christus die ’t ons gaf
is met ons alle dagen.
Wordt ons lichaam hun deel,
zij winnen niet veel.
Vrouw, kind, lijf en goed, -
laat varen als het moet…
De aarde is des HEREN!
Hoewel dit inderdaad een zeer vrije bewerking is duiken er hier en daar toch opeens letterlijke Luther-citaten op, zoals het reeds genoemde ‘vrouw, kind, lijf en goed’ in de laatste strofe of zoals in de derde strofe: ‘De wereld is vol demonie die ons haast zou verzwelgen’ (Und wenn die Welt voll Teufel war und wollt uns gar verschlingen’.
In de eerste strofe heeft Barnard de ‘toevlucht’ van psalm 46 behouden met ‘toevluchtsoord’, maar het kernachtige refrein van deze psalm (‘Een vast burcht is onze God’), waarover hij in zijn boekje ‘Een stille duif in de verte’ zo hoog opgeeft, is veranderd in ‘Voor ons is God een erewoord’. Opvallend is dat het ‘Abgesang’ van de eerste strofe vrijwel identiek is aan de berijming van 1954 in Woensel Kooy. Verder veel vrije poëzie, originele invallen, omspelingen van de tekst als hij was hij een componist die een liedvariatie schijft, telkens herkenbaar maar iedere keer evenzogoed volkomen verrassend!
Het centrale woord in deze bewerking is misschien wel het woord ‘woord’. Niet alleen voegt Barnard dat verrassend toe in de aanvangsregel: ‘Voor ons is God een erewoord’, ook in de overgang van de derde naar de vierde strofe speelt ‘woord’ een bepalende rol. Had Barnard in 1954 en Jan Wit/Ad den Besten in 1973 deze regel berijmd met ‘Eén woord, en hij moet wijken/vallen’, in 1988 berijmt Barnard ‘Een woord en ’t zal verkeren’, dus zonder accent aigu. Door in de daaropvolgend regel strofe te beginnen met ‘Dat woord van God, daar blijven z’af’, plaatst Barnard ‘een woord’ in veel breder verband. Niet een korte, pakkende toverformule als een mysterieus hocuspocus, maar het Bijbelwoord in de breedste zin van het woord! Zo klinkt de Bijbel in deze laatste strofe mee in het zendingsbevel van Mattheus 28: 20 (‘Is met ons alle dagen’) en in psalm 24: 1 (‘De aarde is des Heren’). Hier horen we Barnard als man van het ‘woord’, als man van de Bijbel, die continu diepliggende verbanden vermoedt, zoekt en vindt!
Vanwege de beperkte ruimte in dit nummer van Musica Sacra moeten we de bespreking van de berijmingen van de twee andere Lutherliederen helaas doorschuiven naar het volgende nummer van Musica Sacra. Voor wie deze liederen alvast wil bekijken: Barnards berijmingen van ‘Es wolle Gott uns gnädig sein’ en ‘Herr Gott, Dich loben wir’ zijn afgedrukt in het bundeltje ‘Een plaats ontzegd’ (64 liederen ut het concept van de gezangencommissie, 1983). Van ‘Es wolle Gott uns gnädig sein’ verscheen in 1954 in Woensel Kooy reeds een eerdere vertaling. De vertaling van ‘Herr Gott, Dich loben wir’ (Te Deum) is ook afgedrukt in het Dienstboek 1998 (deel I, gele bladzijde gezang 148) en in de bundel ‘Alle liederen van Luther, een levend document’ (2017).
Hans Jansen
Geraadpleegde literatuur:
Willem Barnard, Binnen de tijd, Voorburg, 1965
Willem Barnard, Uit ademnood, Voorburg, 1988
Joop Boendermaker, in: Leven in zinsverband, over het werk van Willem Barnard, Voorburg, 1990
W.G. Overbosch, Zo gezegd, gebundelde overwegingen, Zoetermeer, 1998
Willem Barnard, Een stille duif in de verte, Zoetermeer, 2004